Het besluit houders van dieren

Regels met betrekking tot gezelschapsdieren, update 2020

Op 1 juli 2014 is het nieuwe besluit "houders van dieren" in werking getreden. Niet iedereen begrijpt de juridische wetteksten en niet iedereen interpreteert de teksten op eenzelfde manier. Veel fokkers hebben vragen over deze wet. Ook is er nog weinig jurisprudentie met betrekking tot kleine knaagdieren. Met dit artikel wil ik proberen om in Jip-en-Janneketaal te vertellen wat in deze wet staat m.b.t. het houden en fokken van kleine knaagdieren. Wetsartikelen en onderdelen die alleen over honden, katten en andere (grotere) gezelschapsdieren gaat, wordt niet behandeld. Tenzij van belang is of ten behoeve van verduidelijking.

Gebruikte versie van Wet dieren
Gebruikte versie van Besluit houders van dieren

Wat is jurisprudentie?

Het eerste moeilijke woord dat hierboven staat is het woord 'jurisprudentie'. Wetteksten en rechtsregels blijken vaak vatbaar voor uiteenlopende uitleg of verschillende interpretaties. De rechter doet uitspraken in rechtszaken over verschillende onderwerpen en interpreteert daarbij de wetteksten. Een andere rechter in eenzelfde soort zaak zal eenzelfde interpretatie c.q uitleg moeten geven met betrekking tot de wettekst. Ofwel gelijke gevallen moeten gelijk behandeld worden. Alle uitspraken die rechters ooit hebben gedaan, worden bewaard. En het geheel van die uitspraken wordt jurisprudentie genoemd.

Zolang er geen jurisprudentie is kan een tekst die in de wet staat door verschillende partijen verschillend uitgelegd worden. En daardoor ontstaat er onduidelijkheden.

Besluit houders van dieren, de opbouw van de wet

Het besluit is een uitwerking van de Wet Dieren. Besluit houders van dieren gaat niet alleen over gezelschapsdieren. Het gaat ook over het houden van dieren voor landbouwdoeleinden en houden van dieren voor vertoningen (zoals circussen). Onderstaand in het blauw welke artikelen uitgelicht zijn en kunnen aangeklikt worden om direct naar de onderstaande toelichting te gaan.

Opbouw besluit houders van dieren


  • Hoofdstuk 1 - Algemeen
    • Paragraaf 1 - Algemene bepalingen
      • Artikel 1.1 Begripsbepalingen
      • Artikel 1.2 Verhouding met Wet op de dierproeven
      • Artikel 1.3 Verboden gedragingen ten aanzien van dieren
      • Artikel 1.4 Criteria voor aanwijzing diersoorten of diercategorieŽn op positieflijst
    • Paragraaf 2 - Algemene huisvestigs- en verzorgingsnormen
      • Artikel 1.5 Reikwijdte
      • Artikel 1.6 Houden van dieren
      • Artikel 1.7 Verzorgen van dieren
      • Artikel 1.8 Behuizing
    • Paragraaf 3 - Doden van dieren
      • Artikel 1.9 Toepassingsbereik
      • Artikel 1.10 Gevallen waarin dieren mogen worden gedood
      • Artikel 1.11 Reikwijdte
      • Artikel 1.12 Besparen vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden
      • Artikel 1.13 Methoden
      • Artikel 1.14 Kennis
    • Paragraaf 4 - Voortplantingstechnieken
      • Artikel 1.15 Begripsbepalingen
      • Artikel 1.16 Reikwijdte
      • Artikel 1.17 Voortplantingstechnieken
    • Paragraaf 5 - Overige bepalingen
      • Artikel 1.18 Verbod gebruik van levend aas
      • Artikel 1.19 Reikwijdte scheiden dieren van ouderdieren
      • Artikel 1.20 Leeftijd scheiden van dieren
    • Paragraaf 6 - Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
      • Artikel 1.21 Verrichten van ingrepen door de houder
      • Artikel 1.22 Voorhanden of in voorraad hebben van diergeneesmiddelen
      • Artikel 1.23 Bevoegdheid houders van dieren
      • Artikel 1.24 Nadere aanwijzingen door de dierenarts
      • Artikel 1.25 Administratie diergeneesmiddelen door houders van dieren
      • Artikel 1.26 Gevoeligheidsbepaling bij toepassing aangewezen diergeneesmiddelen
      • Artikel 1.27 Melding aangewezen diergeneesmiddelen in register
      • Artikel 1.28 Bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan
  • Hoofdstuk 2 - Houden van dieren voor landbouwdoeleinden
  • Hoofdstuk 3 - Houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden
    • Paragraaf 1 - Algemeen
      • Artikel 3.1 Verbod op vastleggen of in een ren houden van een hond
      • Artikel 3.2 Vastleggen van een hond
      • Artikel 3.3 Houden van een hond in een ren
      • Artikel 3.4 Fokken met gezelschapsdieren
    • Paragraaf 2 - Het bedrijfsmatig verkopen, afleveren, houden ten behoeve van opvang van of fokken met gezelschapsdieren
      • Artikel 3.5 Begripsbepalingen
      • Artikel 3.6 Verbod en uitzondering voor niet bedrijfsmatig handelen
      • Artikel 3.7 Verrichtingen bedrijfsmatige activiteiten in inrichting of onder voorwaarden op tentoonstellingen, beurs of markt
      • Artikel 3.8 Aanmelding inrichting en tentoonstelling, beurs of markt
      • Artikel 3.9 Wijziging gegevens
      • Artikel 3.10 Administratie
      • Artikel 3.11 Vakbekwaamheid
      • Artikel 3.12 Huisvesting en verzorging
      • Artikel 3.13 Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren
      • Artikel 3.14 Gezondheid
      • Artikel 3.15 Intenting honden en katten
      • Artikel 3.16 Huisvesting honden
      • Artikel 3.17 Informatieverstrekking bij verkoop of aflevering
      • Artikel 3.18 Informatieverstrekking over gezondheidsstatus
      • Artikel 3.19 Verkoopverbod aan personen jonger dan zestien jaar
  • Hoofdstuk 4 - Houden van dieren voor vertoningen
  • Hoofdstuk 5 - Doden van dieren voor de productie van dierlijke producten
  • Hoofdstuk 6 - Overige bepalingen
    • Artikel 6.1 Overgangsrecht vleeskalkoenen
    • Artikel 6.2 Overgangsrecht konijnen
    • Artikel 6.3 Overgangsrecht huisvesting gelten en zeugen
    • Artikel 6.4 Inrichtingen waarvan de exploitant een melding heeft gedaan (art. 5.5)
    • Artikel 6.5 Eisen aan tentoonstellingen, beurzen en markten voor gezelschapsdieren
    • Artikel 6.6 Vakbekwaamheid bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren
    • Artikel 6.7 Aanmelden inrichting
    • Artikel 6.8 Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren
    • Artikel 6.9 Intrekking Honden en kattenbesluit 1999 en uitgestelde werking Honden- en kattenbesluit in verband met wijziging Wet op de dierproeven
    • Artikel 6.10 Overgangsrecht betonroostervloeren
  • Hoofdstuk 7 - Slotbepalingen
Bovenstaand zie je een aantal keren een artikel met het woord "reikwijdte" en "toepassingsbereik" staan. Niet elk artikel is bedoeld voor alle diersoorten. Daarom staat per paragraaf ook de reikwijdte waarop de onderstaande artikelen van toepassing zijn. Of een nadere toelichting op het toepassingsbereik.

In hoofdstuk 1 staan diverse begripsbepalingen. Dit is een lijst met woorden hoe woorden in deze wet bedoeld worden. Hier wordt bijvoorbeeld uitleg gegeven over het woord gezelschapsdier. Ook staat in hoofdstuk 1 algemene regels die ook voor gezelschapsdieren van toepassing zijn, zoals regels met betrekking tot huisvesting, de ruimte waarin dieren gehouden worden en over de verzorging. Tevens vind je informatie over levensbeŽindiging van gezelschapsdieren, voortplantingstechnieken en over diergeneeskundige handelingen en medicijnen. Voor kleine knaagdieren zijn paragraaf 1, 2, 3 en 5 van belang en zijn de overige paragrafen minder van belang.

In hoofdstuk 3 staan de regels over gezelschapsdieren. Want gezelschapsdieren zijn dieren die niet voor de productie en/of landbouwdoeleinden gehouden worden. Hoofdstuk 3 gaat verder in op het houden van gezelschapsdieren, op verantwoordelijk manier fokken van gezelschapsdieren en een verbod voor verkoop, verhandelen, in voorraad houden en transporteren van gezelschapsdieren, tenzij er sprake is van vakbekwaamheid. Daar staat ook de uitzondering hierop, namelijk dit verbod is niet van toepassing indien niet bedrijfsmatig gehandeld wordt.

In hoofdstuk 6 staan de overige bepalingen en voor kleine knaagdieren gaat het hier om de overgangsregels m.b.t. vakbekwaamheid. Als de overheid nieuwe wettelijke regels invoert, moet je in bestaande gevallen tijd geven om hieraan te gaan voldoen.

Algemeen



Begripsbepalingen

Het besluit houders van dieren begint met een lijst met gebruikte woorden en wat hiermee bedoeld wordt. In artikel 1 wordt uitgelegd wat met gezelschapsdier bedoeld wordt.

Gezelschapsdier = zoogdier, vogel, vis, reptiel of amfibie, kennelijk bestemd om te houden voor liefhebberij of gezelschap, met uitzondering van een dier dat behoort tot een in bijlage II bij dit besluit opgenomen diersoort of diercategorie, niet zijnde konijn, bruine rat, tamme muis, cavia, goudhamster en gerbil.
De wet gebruikt het woord gezelschapsdier omdat het woord huisdier de lading niet dekt. Huisdier houdt in dat het om een dier gaat dat in huishoudelijk sfeer gehouden wordt. En bedrijven die dieren fokken om als huisdier verkocht te worden, hebben zelf geen huisdieren. Zij hebben dieren bestemd voor gezelschap. Het woord gezelschapsdier dekt wel de hele lading.

Bij de definitie gezelschapsdier wordt verwezen naar een lijst met productiedieren. Om geen discussies te hebben is bij deze definitie expliciet genoemd dat het besluit van houders van dieren van toepassing is op konijnen, bruine rat, tamme muis, cavia, goudhamster en de gerbil.

Verboden gedragingen ten aanzien van dieren

Artikel 1.3 - Verboden gedragingen ten aanzien van dieren

Als gedragingen als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de wet worden aangewezen:
  • a. het zich ontdoen van een dier;
  • b. het schoppen van een dier;
  • c. het zodanig slaan van een dier dat dit letsel ten gevolge heeft;
  • d. het onderwerpen van een dier aan een explosieve, bijtende of brandende stof;
  • e. het weiden van een dier op niet beweidbaar land of, anders dan voor korte duur, weiden op slecht beweidbaar land;
  • f. het zich vervoeren of verplaatsen, het zich laten vervoeren of laten verplaatsen of een ander doen vervoeren of doen verplaatsen op een dier of in of op een vervoermiddel dat wordt voortbewogen door een dier, indien dat vervoeren of verplaatsen de krachten van dat dier kennelijk te boven gaat, of indien het dier daartoe kennelijk niet geschikt is;
  • g. het gebruik van of het vastbinden of aanlijnen van een dier met een voorwerp waarmee het dier door middel van scherpe uitsteeksels pijn kan worden toegebracht.
Artikel 1.3 van het besluit geeft een nader toelichting op artikel 2.1 van de Wet Dieren. Wanneer je de dieren kwijt wilt, mag je ze niet zomaar vrij laten. Ontdoen betekent namelijk verwijderen, opruimen, opzij schuiven. Je mag dieren niet schoppen of doelbewust letsel aanbrengen door middel van slaan.

Criteria voor aanwijzing diersoorten of diercategorieŽn op positieflijst

Artikel 1.4 - Criteria voor aanwijzing diersoorten of diercategorieŽn op positieflijst

  • 1. De criteria, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de wet, zijn:
    • a. dieren:
    • 1į van de desbetreffende diersoort of diercategorie kunnen zonder specialistische kennis en vaardigheden worden gehouden, gelet op:
      • i de mate waarin het dier behoefte heeft aan bewegen en een specifieke leefomgeving;
      • ii de gemiddelde grootte van het dier op volwassen leeftijd;
      • iii de behoefte van het dier aan periodes van activiteit of inactiviteit gedurende een dag of een seizoen;
      • iv de behoeften van het dier met betrekking tot foerageren en eten, waaronder de rantsoensamenstelling;
      • v de mate waarin het dier behoefte heeft aan veiligheid en schuilgelegenheid;
      • vi de behoeften van het dier met betrekking tot voortplanting en grootbrengen van jongen;
      • vii de behoefte van het dier met betrekking tot schoonmaakgedrag;
      • viii de sociale of biosociale behoeften van het dier;
      • ix de mate waarin het dier behoefte heeft aan prikkels en afleiding, of
    • 2į behoren tot een diersoort of diercategorie die bij artikel 2.1 zijn aangewezen, of
    •  
    • b. het houden van dieren van de desbetreffende diersoort of diercategorie:
      • 1į levert geen onaanvaardbare mate van gevaar op voor mens of dier,
      • 2į. is niet verboden bij artikel 3.2, eerste lid, of 3.6, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, in samenhang met artikel 3.2, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel 3.6, derde lid, van die wet en krachtens artikel 3.3, derde lid, onderscheidenlijk 3.8, derde lid, van die wet verleende ontheffingen of vrijstellingen, en is niet verboden op grond van bij of krachtens artikel 3.37, 3.38 of 3.39 van de Wet natuurbescherming, gestelde regels, in samenhang met krachtens artikel 3.40 van die wet verleende ontheffingen of vrijstellingen, of
      • 3į levert gelet op de subonderdelen i tot en met ix van onderdeel a, onder 1į, geen onaanvaardbare aantasting op van het welzijn of de gezondheid van die dieren.
  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet, is uitsluitend van toepassing op zoogdieren.
Niet alle dieren zijn geschikt om als gezelschapsdieren gehouden te worden. Je kunt niet zomaar olifanten als huisdier gaan houden. In de Wet Dieren is vastgelegd dat hiervoor een Positieflijst wordt opgesteld. Dit is een lijst met zowel geschikte als ongeschikte gezelschapsdieren. De geschikte gezelschapsdieren worden gesplitst in gezelschapsdieren te houden zonder aanvullende eisen en gezelschapsdieren te houden met aanvullende eisen.

Te behoeve van verduidelijking wordt de Positieflijst nu de Huisdierenlijst genoemd. De laatste versie kan je vinden op RVO Huisdierenlijst. En klik hier om de Huisdierenlijst te openen.

In februari 2015 kwam er inderdaad een Positieflijst waarop een beperkt aantal dieren stonden, maar de beoordelingmethodiek was ondermaats evenals de criteria die toegepast werden. Zo stond de Russische dwerghamster niet op de lijst van de geschikte gezelschapsdieren en zou hij verboden worden. In januari 2017 zijn er nieuwe lijsten openbaar gemaakt. Naar aanleiding van uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de manier van totstandkoming van de nieuwe lijst is de invoering ervan echter vooralsnog opgeschort.

Dit betekent niet dat er geen lijst is. Voorlopig blijft de lijst die uit 2015 stamt gelden en totdat er een nieuwe beoordelingsmethode is vastgesteld en gepubliceerd geldt een tijdelijke vrijstelling voor dieren die aangemeld voor opnieuw te beoordelen, ook wel de Inventarisatielijst genoemd. Klik hier om de Inventarisatielijst te openen.

Houden van dieren

Artikel 1.6 - Houden van dieren

  • 1. De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht.
  • 2. Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.
  • 3. Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisicoís en zo nodig roofdieren.
  • 4. De houder van een dier dat in een gebouw of kooi wordt gehouden, draagt er zorg voor dat het dier daaruit niet kan ontsnappen.
In artikel 1.6. staat dat gezelschapsdieren gehouden moeten worden in een ruimte zodanig dat ze niet lijden of aan zichzelf letsel kunnen toebrengen. En dat het dier een dusdanig voldoende ruimte moet hebben om zijn fysiologische en ethologische behoeften te kunnen doen. Dit houdt in dat hij de natuurlijke bewegingsbehoefte uit kan uitoefenen zoals lopen, staan en indien van toepassing klimmen, graven, etc. Natuurlijk moeten gezelschapsdieren in een kooi zodanig beschut zijn dat ze geen last hebben van het weer. En natuurlijk moet de kooi beschermd zijn zodat zij niet door roofdieren opgegeten worden.

Tevens staat in deze tekst dat je als houder van een gezelschapsdier zorg moet dragen dat het dier niet ontsnapt. Kooien moeten dusdanig goed zijn dat zo min mogelijk risico gelopen wordt dat dieren ontsnappen.

Verzorgen van dieren

Artikel 1.7 - Verzorgen van dieren

Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
  • a. wordt verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden;
  • b. slechts onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk tot de verzorging in staat is;
  • c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;
  • d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiŽnische omstandigheden;
  • e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;
  • f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;
  • g. voldoende verse lucht of zuurstof krijgt.
De tekst met betrekking tot de verzorging van dieren is vrij helder. Dieren moeten beschikken over voldoende eten en moeten voldoende verse lucht hebben om te ademhalen. Met betrekking tot water staat dat dieren een toereikende hoeveelheid van passende kwaliteit (vers) water moeten hebben of dat op een ander wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen. Als je een gezelschapsdier hebt, moet je ook beschikken over de kennis hoe dit dier verzorgd moet worden. En tevens de vaardigheden hebben om te verzorgen. Je moet dus in staat zijn om het dier goed te kunnen houden en verzorgen. En wanneer een dier ziek is, je onmiddellijk op passende wijze het dier gaat of laat verzorgen.

Behuizing

Artikel 1.8 - Behuizing

  • 1. Een ruimte waarin een dier wordt gehouden, wordt voldoende verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen.
  • 2. Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.
  • 3. In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, worden geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier.
  • 4. De materialen, bedoeld in het derde lid, kunnen eenvoudig worden gereinigd en ontsmet.
In artikel 1.6 wordt ingegaan op hoe je dieren moet houden en artikel 1.8 gaat over de ruimte waar de dieren in gehouden worden. Als het om een kooi gaat, moet de kooi niet alleen zodanig groot zijn dat hij zijn fysiologische en biologische beweging kan uitoefenen, maar ook dat de kooi zodanig moet staan dat de hoeveelheid passend is bij het gehouden gezelschapsdier. En dat de kooi zodanig ingericht moet zijn dat hij beschemd is en geen letsel op kan lopen of pijn wordt veroorzaakt. Tevens dat ťťn en ander gemakkelijk schoon gemaakt kan worden.

Gevallen waarin dieren mogen worden gedood en toepassingsbereik hiervan

Artikel 1.9 - Toepassingsbereik

Als diercategorieŽn als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de wet worden aangewezen ganzen, honden en katten.

Artikel 1.10 - Gevallen waarin dieren mogen worden gedood

Als gevallen als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de wet worden aangewezen gevallen waarin:
  • a. een dier wordt gedood ter beŽindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier;
  • b. een dierenarts heeft vastgesteld dat doden in het belang van het dier is;
  • c. dat doden bij of krachtens enig wettelijk voorschrift of ingevolge een EU-verordening is voorgeschreven;
  • d. een dier wordt gedood ter beŽindiging van ondraaglijk lijden van het dier;
  • e. een dier wordt gedood vanwege niet te corrigeren gevaarlijke gedragskenmerken.
In de Wet Dieren staat in artikel 2.10 dat het verboden is om dieren behorend tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieŽn te doden. Tenzij het om dieren gaat voor de bedrijfsmatige productie van dierlijke producten of in aangewezen gevallen. In artikel 1.9 van het besluit staat dat dit geldt voor ganzen, honden en katten.

Artikel 1.10 van het besluit gaat over situatie waarin een hond, kat of gans wel gedood mag worden. Het leven van een hond, kat of gans mag beŽindigd worden indien het een gevaar is voor de mens of andere dieren. Of dat een dierenarts vastgesteld heeft dat het beter is om een hond, kat of gans in te laten slapen. Of dat het het volgens de wet moet gebeuren. En ingeval mag het leven van dieren beŽindigd worden indien het ondraaglijk lijdt of niet gecorrigeerd kan worden in gevaarlijke gedrag.

Besparing vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden, de methoden en kennis hierover

De onderstaande artikelen zijn van toepassing op alle zoogdieren, reptielen, amfibieŽn en vogels. Terwijl artikel 1.10 alleen van toepassing is op ganzen, honden en katten.

Artikel 1.12 - Besparing vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden

Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden bespaard.

Artikel 1.13 - Methoden

  • 1. Een dier wordt gedood door middel van een methode die waarborgt dat de dood onmiddellijk of na bedwelming, maar vůůrdat de bewusteloosheid is geweken, intreedt.
  • 2. In afwijking van het eerste lid behoeft een dier niet te worden bedwelmd indien een dier moet worden gedood:
    • a. ter beŽindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier of
    • b. ter beŽindiging van ondraaglijk lijden van het dier.
  • 3 Bij ministeriŽle regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieŽn dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de methode, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1.14 - Kennis

  • 1. Het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden uitgevoerd door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om de taken humaan en doeltreffend uit te voeren.
  • 2. Bij ministeriŽle regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieŽn dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kennis en vaardigheden.
Het is nooit leuk om over levensbeŽindiging van gezelschapsdieren te hebben. Maar het is goed dat ook hiervoor wettelijke regels zijn. In de wet staat dat wanneer je het leven van een dier beŽindigt, dit op een dusdanig manier moet gebeuren dat een dier geen stress heeft, geen pijn ervaart en niet lijdt. Het moet een methode zijn die direct effectief is en niet dat het poosje duurt voordat het leven beŽindigd is. Want dan leidt een dier namelijk spanning en lijdt het. Tenzij een dier bedwelmd wordt. Dan moet de methode zodanig effectief zijn dat een dier niet terug komt bij kennis. Tevens staat in de wet dat het gedaan moet worden door personen die weten wat ze doen.

Fokken met gezelschapsdieren



Artikel 3.4 - Fokken met gezelschapsdieren

  • 1 Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld.
  • 2 In ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat:
    • a. ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;
    • b. uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren;
    • c. ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;
    • d. voortplanting op onnatuurlijke wijze plaatsvindt;
    • e. het aantal nesten of nakomelingen dat een gezelschapsdier krijgt de gezondheid of het welzijn van dat dier of de nakomelingen benadeelt.
  • 3 Een hond krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste ťťn nest.
  • 4 Een kat krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste twee nesten of ten hoogste drie nesten in een aaneengesloten periode van vierentwintig maanden.
  • 5 Op het fokken van paarden (inclusief ponyís) en ezels die anders dan voor landbouwdoeleinden worden gehouden, zijn het eerste en tweede lid, met uitzondering van het tweede lid, onder d, van toepassing.
Artikel 3.4 is niet alleen geldig voor bedrijfsmatig fokken, maar ook voor hobbymatig fokken. Fokken moet op een manier gebeuren dat het welzijn en de gezondheid van de ouderdieren en de nakomelingen niet wordt benadeeld. Het gaat ingeval om dat je bij het fokken, zover dit mogelijk is, moet voorkomen dat ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten worden doorgegeven. Het gaat niet alleen maar om defecten of ziekten, maar ook om uiterlijke kenmerken. Je moet, zover dit mogelijk is, voorkomen dat bij het fokken uiterlijke kenmerken kunnen ontstaan die schadelijk zijn voor het welzijn en gezondheid van de nakomelingen. En hetzelfde geldt ook voor het karakter. Bij het fokken moet, zover dit mogelijk is, voorkomen worden dat ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven.

In de wet staat "zover mogelijk". Dit is een onder voorbehoud voor situaties waarin het niet mogelijk is om te voorkomen. Maar de wet vereist van fokkers wel dat ze er alles aan doen om te voorkomen.

Er zal via jurisprudentie uitleg ontstaan hoe dit geÔnterpreteerd moet worden. In 2019 zijn een aantal honden- en kattenrassen aangewezen die volgens de instanties uiterlijke kenmerken hebben die schadelijk zijn voor het welzijn en gezondheid van de dieren. In het wetenschappelijk onderzoek worden deze fokkers mutantenfokkers genoemd. En in het rapport wordt het niet hebben van snorharen, het niet hebben van vacht c.q. beharing en het hebben van te korte voorpoten als uiterlijke kenmerken bestempeld die schadelijk zijn voor het welzijn en gezondheid van deze dieren. De rechtbank moet nog een oordeel hierover geven.

Het bedrijfsmatig verkopen, afleveren, houden ten behoeve van opvang van of fokken met gezelschapsdieren



Hoofdstuk 3 paragraaf 2 gaat over het bedrijfsmatig verkopen, afleveren, opvang of fokken met gezelschapsdieren.

Artikel 3.5 - begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:
  • Ė beheerder: degene die dagelijks leiding geeft aan in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten;
  • Ė inrichting: aan ťťn locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten.
Het is goed om stil te staan bij het woord "beheerder". In artikel 3.5 staat dat hiermee bedoeld wordt de persoon die de dagelijks leiding geeft met betrekking tot de bedoelde activiteiten. In de praktijk is hierover veel verwarring. Bedoelt de wet namelijk dat de beheerder dagelijks aanwezig is of dagelijks de leiding geeft in de zin dat hij of zij er verantwoordelijk voor is. Dagelijkse leiding hoeft namelijk niet automatisch te betekenen dat de leiding gevende ook aanwezig is. Toekomstige jurisprudentie moet dit helder maken.

Artikel 3.6 - Verbod en uitzondering voor niet-bedrijfsmatig handelen

  • 1. Het is verboden gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden, af te leveren, te houden ten behoeve van opvang, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan deze paragraaf.
  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing indien degene onder wiens verantwoordelijkheid gezelschapsdieren worden verkocht, ten verkoop in voorraad worden gehouden, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang, of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, aannemelijk maakt dat er bij de uitoefening van die activiteiten geen sprake is van bedrijfsmatig handelen.
In artikel 3.6 lid 1 wordt duidelijk gemaakt dat je geen gezelschapsdieren:
- mag verkopen;
- in voorraad mag houden voor de verkoop;
- mag afleveren;
- mag opvangen;
- mag fokken ten behoeve van de verkoop of afleveren van nageslacht,
tenzij je aan deze wet voldoet. En dat is, indien het om bedrijfsmatig handelen gaat, gecertificeerd zijn.

In lid 2 staat wie niet aan de hele paragraaf (en dat is artikel 3.5 t/m 3.23 van hoofdstuk 3) hoeft te voldoen en vrijgesteld zijn. En dat is alle gevallen waarin aannemelijk gemaakt kan worden dat het niet gaat om bedrijfsmatig handelen.

Afleveren is het op een bepaalde plek brengen. Het heeft ook de definitie het aan een ander overdragen.

Wat in de wet feitelijk staat is dat je aan de wet moet voldoen (en dat is onder andere gecertificeerd zijn) indien je gezelschapsdieren verkoopt, in voorraad houdt ten behoeve van de verkoop, opvangt, gezelschapsdieren transporteert en aflevert. En fokt met als doel het nageslacht te verkopen of aan een ander over te dragen ten behoeve van de verkoop.

Volgens Dikke Van Dale betekent bedrijfsmatig 'op de manier van een bedrijf'. En dat kan je lezen als net zo groot, net zo efficiŽnt, een zelfde doel als een bedrijf dat heeft. In lid 2 staat 'bedrijfsmatig handelen'. Bedrijfsmatig slaat op het handelen. En dat betekent in de uitoefening van een beroep, of bedrijf, of tegen vergoeding handelen. Er is nauwelijks jurisprudentie hierover en toen het besluit ingevoerd werd, werd dit meer gelezen als op de manier zoals een bedrijf het zou doen. En daarom werd ook gezegd dat niets uitmaakt of er geld verdiend wordt. Een paar jaar later is door jurisprudentie de zienswijze reeds aangepast. Want bedrijfsmatig handelen betekent ook dat gehandeld wordt om geldelijke gewin te behalen. Ofwel handelen om winst te maken.

Op de website van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) staat dan ook "u bent bedrijfsmatig bezig". Maar wanneer is het bedrijfsmatig en wanneer is het niet bedrijfsmatig, maar hobbymatig? Het gaat om de feitelijke situatie en dat kan per individueel anders zijn.

Op de website van RVO staan een aantal indicaties wat kan duiden dat iemand bedrijfsmatig gezelschapsdieren fokt ten behoeve van verkoop (bron: RVO site):
  • U fokt niet om de dieren zelf te houden als huisdier en ook niet voor uw familie en vrienden.
  • U verkoopt of levert de dieren af aan anderen dan familie en vrienden.
  • U vangt de dieren op tegen een vergoeding en u plaatst hiervoor advertenties.
  • U heeft ruimtes speciaal ingericht voor de opvang, handel of het fokken van de dieren.
  • U bent geregistreerd bij de Kamer van koophandel of u heeft een btw-nummer.
  • U adverteert.
  • U oefent de activiteiten uit om winst te maken.

Alleen voor honden en katten geldt een getalsmatig indicatie 'u heeft in een aaneengesloten periode van 12 maanden in totaal meer dan 20 honden of katten verkocht, afgeleverd, opgevangen of gefokt'. Dit betekent niet automatisch dat ieder die minder dan 20 katten of honden fokt, niet bedrijfsmatig bezig is. Er zijn via jurispurdentie reeds fokkers aangemerkt als bedrijfsmatig bezig zijn terwijl zij slechts enkele nestjes per jaar fokten.

In de praktijk is het soms lastig om daadwerkelijke onderscheid te maken in hobbymatig of bedrijfsmatig. Dit komt omdat vaak vanuit de passie gezelschapsdieren gefokt wordt. Aan de hand van een aantal voorbeelden probeer ik helder te maken wanneer het om bedrijfsmatig gaat en wanneer niet.

Voorbeeld 1


Een kunstenaar maakt schilderijen waarop voornamelijk windmolens staan. Hij vindt het leuk om die te maken en omdat hij ze niet allemaal kan houden en om de kosten beetje goed te maken, verkoopt hij de schilderijen via Marktplaats. Per saldo maakt hij geen winst.

Niet bedrijfsmatig
Dit is niet bedrijfsmatig bezig zijn. Voor de Inkomstenbelasting is dit geen bedrijf en dit wordt als hobbymatige activiteiten gezien.

Voorbeeld 2


Een kunstenaar maakt schilderijen. Hij maakt voornamelijk schilderijen met bomen en bloemen erop omdat hij merkt dat bij de verkoop hier meer vraag naar is. Per saldo kost het maken van een schilderij 100 euro en hij verkoopt ze voor 300 euro. Hij voert de aantallen op omdat de verkoop lekker gaat. Hij verkoopt de schilderijen via Marktplaats.

Bedrijfsmatig
Dit is bedrijfsmatig bezig zijn. Ook al vindt hij het leuk om schilderijen te maken, zijn doel is verschoven naar geldelijk gewin. Ofwel hij maakt schilderijen bestemd voor de verkoop.

Voorbeeld 3


Een kunstenaar maakt schilderijen waarop voornamelijk windmolens staan. Hij vindt het leuk om die te maken en verkoopt de schilderijen via Marktplaats. Want hij kan niet alle schilderijen zelf houden. Soms zitten er prachtige exemplaren bij en dan wordt er via Marktplaats veel voor geboden. Per saldo kost de hobby hem niets. Het levert soms geld op.

Niet bedrijfsmatig
Dit is niet bedrijfsmatig bezig zijn. Ondanks dat de kunstenaar via Marktplaats reclame maakt en verkoopt, maakt hij de schilderijen niet met het oog om te verkopen en winst te maken. Hij doet dit vanuit zijn hobby. De winsten die hij maakt zijn incidentele winsten.

Voorbeeld 4


Een echtpaar hebben twee Hyacint-ara's, een koppeltje. Ze krijgen een nestje en verkopen daarvan vier stuks voor de prijs Ä 12.500 per stuk. De ara's zijn hun huisdieren.

Niet bedrijfsmatig
Ongeacht dat het om enorme bedragen gaat, gaat het hier niet om bedrijfsmatig houden van gezelschapsdieren. Deze ara's zijn heel moeilijk te fokken en worden niet met het doel gehouden om geld mee te verdienen. Dat ze succesvol vier exemplaren groot brengen en verkopen maakt het nog niet dat ze bedrijfsmatig bezig zijn.

Voorbeeld 5


Een muizenfokker heeft een paar honderd kleurmuizen. Hij fokt ze in grote getallen om goede selectie te kunnen doen op bouw, type en tekening. De fokker maakt reclame via Facebook en Marktplaats en verkoopt kleurmuizen voor Ä 10 per stuk. De overgebleven muizen die hij niet kwijt kan, worden verkocht als voederdieren. De fokker heeft een aantal bijzondere kleurslagen waardoor veel via Marktplaats maar ook via evenementen verkocht van worden. De fokker staat een paar keer per jaar op een evenement. Als hij op een evenement staat, heeft hij diverse kleurmuizen als aanbod, heeft hij informatie op de tafel liggen hoe je ze moet houden en visitekaartjes om uit te delen t.b.v. verstrekken van contactgegevens.

Wel of niet bedrijfsmatig?
Wat vind jij? Is dit bedrijfsmatig of heeft deze muizenfokker een grote passie en is hij hobbymatig bezig?
Laatste voorbeeld maakt het duidelijk waarom het zo lastig is om te bepalen of iemand bedrijfsmatig bezig is. Visitekaartjes duidt op zakelijk handelen. De hoeveelheid duidt ook op zakelijk handelen. Waarom heeft de muizenfokker deze bijzondere kleurslagen. En waarom heeft deze muizenfokker deze aantallen muizen? Is het echt om goede selectie te doen?, of heeft hij ook deze aantallen om aan de vraag te voldoen.

Wanneer de fokker kan aantonen dat hij deze kleurslagen heeft om een bepaald doel te bereiken en aantallen nodig heeft om goede selectie te maken. En dat verkoop niet zijn hoofddoel is, maar een bijzaak van het fokken van deze kleurslagen. Dan is deze fokker niet bedrijfsmatig bezig.

Maar stel dat de fokker deze aantallen heeft om aan de vraag te voldoen en hij houdt er geld aan over, dan is het wel bedrijfsmatig bezig zijn. Vooral wanneer hij de aantallen niet heeft en dan bij gaat kopen om aan de vraag te voldoen. Want dan is hij aan het handelen.

Verrichten bedrijfsmatig activiteiten in inrichtingen of onder voorwaarden op tentoonstelling, beurs of markt + aanmelding inrichting en tentoonstelling, beurs of markt

Artikel 3.7 - Verrichten bedrijfsmatige activiteiten in inrichting of onder voorwaarden op tentoonstelling, beurs of markt

  • 1 De activiteiten, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, worden verricht in een inrichting die bij Onze Minister overeenkomstig artikel 3.8 is aangemeld.
  • 2 In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden of af te leveren buiten een inrichting indien dit plaatsvindt op een tentoonstelling, beurs of markt, voor zover daarbij is voldaan aan de artikelen 3.8, vijfde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, tweede lid, 3.14, zesde lid, en 3.17 tot en met 3.20.

Artikel 3.8 - Aanmelding inrichting en tentoonstelling, beurs of markt

  • 1. De aanmelding van een inrichting geschiedt door degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten worden verricht of door de beheerder, indien dat degene is onder wiens verantwoordelijkheid de activiteiten worden verricht. Na de aanmelding wordt aan de inrichting een uniek nummer toegekend.
  • 2. Bij de in het eerste lid bedoelde aanmelding wordt opgave gedaan van de volgende gegevens:
    • a. de naam, adres, woonplaats, het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten worden verricht, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister;
    • b. het adres van de inrichting en een beschrijving van de gebouwen en voorzieningen die voor het houden van gezelschapsdieren worden gebruikt of zullen worden gebruikt;
    • c. de naam, adres, woonplaats en geboortedatum van de beheerder;
    • d. de onder dit besluit vallende activiteiten die in de inrichting worden verricht;
    • e. de diergroep of diergroepen waarmee de activiteiten worden verricht;
    • f. een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, van de op de inrichting werkzame beheerder;
    • g. de datum waarop met de uitoefening van de activiteiten een aanvang wordt gemaakt.
  • 3. Voor de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld.
  • 4. Aanmelding van een inrichting geschiedt voor aanvang van de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten.
  • 5. Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, doet uiterlijk twee weken voor het tijdstip waarop de tentoonstelling, beurs of markt aanvang neemt, een melding van het houden van de tentoonstelling, beurs of markt bij Onze Minister en doet daarbij opgave van de volgende gegevens:
    • a. de naam, adres, woonplaats en het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de tentoonstelling, beurs of markt wordt gehouden, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister;
    • b. het adres en plaats waar de tentoonstelling, beurs of markt plaatsvindt;
    • c. de datum of data waarop de tentoonstelling, beurs of markt wordt georganiseerd;
    • d. de diergroep of diergroepen die aanwezig zullen zijn op de tentoonstelling, beurs of markt;
    • e. een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid van de persoon die aanwezig is op de beurs of tentoonstelling, beurs of markt, bedoeld in artikel 3.11, vierde lid.
Als je bedrijfsmatig gezelschapsdieren verkoopt, ten behoeve van de verkoop in voorraad houdt, af gaat leveren, opvangt of fokt dan moet je bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aangemeld zijn. Bij deze aanmelding wordt ook de locatie waar dit uitgevoerd wordt geregistreerd. De activiteiten mogen niet op een ander locatie uitgevoerd worden dan bij RVO bekend is.

Er is een uitzondering voor verkoop van gezelschapsdieren, in voorraad houden hiervan etc. op een evenement, tentoonstelling, markt of een beurs. Dit mag alleen als daar voldaan wordt aan de genoemde wetsartikelen. Dat is onder andere dat dit evenement minimaal twee weken van te voren bij RVO aangemeld is. Bij de aanmelding hiervan moet tevens vermeld worden wie vakbekwaam. Bedrijfsmatig verkopen van gezelschapsdieren mag dus niet zomaar op een markt of beurs plaatsvinden.

De reden dat dit in de wet zo geregeld is, is om zoveel mogelijk impulsaankopen te voorkomen en te zorgen dat toezicht is op een locatie waar dieren verkocht worden.

Administratie

Artikel 3.10 - Administratie

  • 1. In een inrichting wordt een deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven met daarin in ieder geval de volgende gegevens:
    • a. naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn;
    • b. bewijs van inenting van honden en katten.
  • 2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden ten minste twee jaar schriftelijk of digitaal in de administratie van de inrichting bewaard vanaf het tijdstip dat een dier niet meer in de inrichting aanwezig is.
  • 3. Van het bewijs van inenting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt gedurende een periode van twee jaar schriftelijk of digitaal een kopie in de administratie van de inrichting bewaard.
  • 4. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op inrichtingen waar gezelschapsdieren gehouden worden ten behoeve van opvang en onbekend is van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn.
  • 5. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van inrichtingen waar honden worden gehouden ten behoeve van de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten, indien de honden overeenkomstig hoofdstuk 2 van het Besluit identificatie en registratie van dieren geregistreerd zijn.
Wanneer bedrijfsmatig dieren gefokt worden, in voorraad gehouden worden of vervoerd worden, dan moet er een administratie aanwezig zijn van de dieren die aanwezig zijn. Hierin staat in ieder geval waar de dieren vandaan komen en als het om kat of hond gaat, ook de bewijzen van de inentingen. De registratie waar dieren vandaan komen geldt niet alleen voor katten en honden, maar voor alle diersoorten. De reden hiervan is dat wanneer bepaalde ziektes bij dieren voorkomen, achterhaald kan worden waar de dieren precies vandaan komen. Juridisch is nog geen invulling gegeven aan de administratie voor kleine knaagdieren, maar je zou bij bedrijfsmatig fokken met gezelschapsdieren kunnen denken aan een stamboomregistratie. Dit omdat in het eerste lid staat dat een deugdelijke administratie aanwezig moet zijn en in artikel 3.4 lid 2 staat dat in ieder geval bij het fokken moet worden voorkomen dat er erfelijke afwijkingen ontstaan en voorkomen moet worden dat uiterlijke kenmerken worden doorgeven of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren. Ook dierenwinkels moeten registreren waarvan zij gezelschapsdieren hebben gekregen of gekocht. De administratie moet minimaal twee jaar bewaard worden.

In lid 4 staat een uitzondering voor het opvangen van gezelschapsdieren indien niet bekend is van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn.

Vakbekwaamheid

Artikel 3.11 - Vakbekwaamheid

  • 1. In de inrichting is een beheerder werkzaam die in het bezit is van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht.
  • 2. Een kopie van het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid wordt bij een inspectie ter naleving van dit besluit aan de daartoe aangewezen ambtenaar ter beschikking gesteld.
  • 3. Bij langdurige ziekte, ontslag of overlijden van de beheerder kan, voor de duur van een periode van ten hoogste 12 aaneengesloten maanden, worden afgeweken van het eerste lid met dien verstande dat de persoon die dagelijks leiding in de inrichting geeft over de in artikel 3.6 bedoelde handelingen over voldoende relevante werkervaring beschikt en dit kan aantonen.
  • 4. Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, draagt zorg voor de aanwezigheid van een persoon die een erkend bewijs van vakbekwaamheid bezit als bedoeld in het eerste lid.
  • 5. Bij ministeriŽle regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid.
In artikel 3.5 staat dat de beheerder degene is die de dagelijks leiding geeft en in artikel 3.11 staat dat de beheerder gecertificeerd moet zijn m.b.t. de diergroep waar het om gaat.

In lid 3 staat toegelicht hoe men om moet gaan indien de beheerder vertrokken is. De organisatie heeft 12 maanden tijd om dit op te lossen. Maar er moet direct na vertrek een nieuwe beheerder aangewezen worden die voldoende relevante werkervaring heeft en dit ook kan aantonen.

In artikel 3.7 staat dat bedrijfsmatige handelingen met gezelschapsdieren op een evenement of beurs mag indien voldaan wordt aan de regels. In lid 4 staat dat de organisatie van dit evenement of beurs zelf zorg moet dragen voor de aanwezigheid van gecertificeerde mensen die vakbekwaam zijn.

Huisvesting en verzorging

Artikel 3.12 - Huisvesting en verzorging

  • 1. Onverminderd de artikelen 1.5 tot en met 1.8 wordt een gezelschapsdier gehouden in een daarvoor geschikte ruimte. Dit houdt tenminste in dat:
    • a. het dier over voldoende bewegingsruimte beschikt;
    • b. de ruimte en de daarin gebruikte materialen zijn aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier;
    • c. het dier zo nodig bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisicoís;
    • d. bij huisvesting van een hoogdrachtig of zogend dier, het met haar jongen de beschikking heeft over voldoende en geschikte nestruimte;
    • e. het dier niet tengevolge van de wijze waarop het gehuisvest is onnodige angst en stress ervaart;
    • f. het aantal en de samenstelling van dieren en diersoorten per verblijf zodanig is dat dit niet het welzijn of de gezondheid van het dier nadelig beÔnvloedt.
  • 2. Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, draagt zorg voor geschikte huisvesting van dieren gedurende de tentoonstelling, beurs of markt, die voldoet aan de artikelen 1.5 tot en met 1.8 en het eerste lid, met dien verstande dat dieren als bedoeld in onderdeel d niet worden toegelaten.

Artikel 3.13 - Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren

  • 1. Een inrichting beschikt over ten minste drie afzonderlijke ruimtes voor het huisvesten en verzorgen van zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren in afzondering van andere dieren, dan wel over de mogelijkheid deze ruimtes in te richten zodra dit nodig is.
  • 2 De in het eerste lid bedoelde ruimtes zijn:
    • a. een quarantaineruimte voor gezelschapsdieren waarvan bij binnenkomst in de inrichting de gezondheidstatus onbekend is of de vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is;
    • b. een isolatieruimte voor gezelschapsdieren verdacht van een besmettelijke ziekte en dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte;
    • c. een ruimte voor huisvesting van gezelschapsdieren die ziek zijn, maar geen besmettelijke ziekte hebben of niet verdacht worden van het dragen van een besmettelijke ziekte.
  • 3. Gezelschapsdieren geplaatst in de in het tweede lid bedoelde ruimtes, worden solitair gehuisvest, tenzij dat vanuit veterinair oogpunt niet noodzakelijk is.
  • 4. De ruimtes, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, vormen een volledig afgescheiden onderdeel van een inrichting.
  • 5. De ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kan bestaan uit een gedeelte van het binnenverblijf dat kan worden afgescheiden van overige binnenverblijven en dieren.
Artikel 3.12 en 3.13 gaan beide over de huisvesting van bedrijfsmatig gehouden gezelschapsdieren. Gezelschapsdieren moeten voldoende bewegingsruimte beschikken en mogen geen onnodige stress ervaren. En dat bij bedrijfsmatig huisvesting een aparte ruimte moet zijn of de mogelijkheid tot creŽren van zo'n ruimte voor het huisvesting van zieke dieren. Artikel 3.13 en 3.14 zijn extra regels bovenop wat in paragraaf 2 staat van hoofdstuk 1.

Gezondheid

Artikel 3.14 - Gezondheid

  • 1. In de inrichting wordt gebruik gemaakt van een protocol waaruit blijkt dat de gezondheid van gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven dagelijks gecontroleerd wordt, maatregelen ter voorkoming van ziekten worden genomen en zieke gezelschapsdieren op passende wijze worden verzorgd.
  • 2. Indien verzorging geen of onvoldoende verbetering in de toestand van een ziek gezelschapsdier bewerkstelligt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd.
  • 3. Gezelschapsdieren waarvan bij binnenkomst in een inrichting de gezondheid- of vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is, worden onmiddellijk in quarantaine geplaatst.
  • 4. Gezelschapsdieren verdacht van een besmettelijke ziekte en dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte worden na binnenkomst in de inrichting onmiddellijk in een isolatieruimte geplaatst.
  • 5. Een hond of kat mag de quarantaineruimte van de inrichting niet verlaten gedurende ten minste 7 dagen nadat de in artikel 3.15, onderdeel a, bedoelde inentingen hebben plaatsgevonden, tenzij het de teruggave aan de eigenaar betreft.
  • 6. Degene die een tentoonstelling, beurs of markt, als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, draagt zorg voor een veterinaire gezondheidscontrole van de dieren voordat toegang wordt verstrekt en laat geen dieren toe verdacht van een besmettelijke ziekte of dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte.
Bij bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren moeten er protocollen aanwezig zijn hoe de gezondheid van gezelschapsdieren dagelijks beoordeeld wordt. Tevens staan hier regels hoe men om moet gaan met zieke gezelschapsdieren. Ook staat hier dat wanneer gezelschapsdieren binnen komen waarvan onbekend is hoe de gezondheidsstatus is, zij in quarantaine geplaatst moeten worden.

De organisatie van een beurs of evenement zorgt voor een veterinaire gezondheidscontrole van dieren voordat zij binnen komen. Zij mogen geen dieren binnen laten waarvan verdacht wordt dat ze een besmettelijke ziekte hebben. Juridisch gezien wordt hier over ziektes gesproken en niet over ongedierte. Feitelijk zijn gezelschapsdieren met ongedierte zoals mijt niet ziek en hebben zij geen besmettelijke ziekte. De wet heeft bedoeld dat bij binnen komen van dieren de andere dieren niet besmet worden met iets wat niet wenselijk is. En daarom wordt bij meeste evenementen ook dieren met ongedierte geweerd.

Informatieverstrekking bij verkoop of aflevering, informatieverstrekking over gezondheidsstatus, verkoopverbod aan personen jonger dan zestien jaar, verpakking en verbod huisvesting of tentoonstelling in etalageruimte

Artikel 3.17 - Informatieverstrekking bij verkoop of aflevering

  • 1. Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan een koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt schriftelijke informatie over het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier verstrekt teneinde hem in staat te stellen het gezelschapsdier zo goed mogelijk te verzorgen.
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt een overeenkomstig deze paragraaf geregistreerde inrichting, een circus of een dierentuin is.
  • 3. De in het eerste lid bedoelde informatie heeft in ieder geval betrekking op de verzorging, de huisvesting en het gedrag van het gezelschapsdier en de kosten die gemoeid gaan met het houden van het gezelschapsdier.

Artikel 3.18 - Informatieverstrekking over gezondheidsstatus

  • Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt alle relevante informatie verstrekt met betrekking tot de gezondheidsstatus van het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier, waaronder ten minste het bewijs van inenting, bedoeld in artikel 3.15, onderdeel b.

Artikel 3.19 - Verkoopverbod aan personen jonger dan zestien jaar

  • Een gezelschapsdier wordt niet verkocht aan een persoon jonger dan zestien jaar.

Artikel 3.20 - Verpakking

  • Indien een gezelschapsdier bij verkoop of aflevering wordt verpakt, vindt dit op zodanige wijze plaats dat het welzijn of de gezondheid van het gezelschapsdier niet onnodig worden benadeeld.

Artikel 3.21 - Verbod huisvesting of tentoonstelling in etalageruimte

  • Gezelschapsdieren worden niet in een etalageruimte van een inrichting gehuisvest of tentoongesteld.
Artikelen 3.17 t/m 3.21 gaan over de verkoop van gezelschapsdieren. Als je bedrijfsmatig dieren verkoopt of aflevert, dan moet er schriftelijke informatie over de verzorging verstrekt worden. In de wet staat duidelijk schriftelijk en mondeling is niet voldoende. Tevens mag je niet alleen naar een website verwijzen omdat dit eveneens niet schriftelijk is. Wel mag er op papier als extra informatie verwezen worden naar websites. In de verstrekte schriftelijke informatie moet ingeval opgenomen worden om welk soort dier het gaat, hoe deze gehuisvestigd moet worden en wat hij eet. Tevens moet er informatie verstrekt worden over de gezondheid.

Verkoop aan jongeren onder de 16 jaar oud is niet toegestaan.

Volgens artikel 3.20 moeten gezelschapsdieren worden getransporteerd in een daarvoor geschikte transportkooi of -doos waarbij de welzijn en de gezondheid niet onnodig wordt benadeeld.

In artikel 3.21 is geregeld dat gezelschapsdieren niet in een etalage mogen staan. Dit artikel is opgenomen met de intentie om impulsverkopen te voorkomen. Daarom wordt het wetsartikel ruimer uitgelegd en mogen ook geen dieren op de verkoopbalie staan. Bij inspectie van dierenwinkels wordt hierop gelet.

Socialisatie

Artikel 3.22 - Socialisatie

  • Indien een gezelschapsdier in een inrichting verblijft tijdens de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie, wordt ervoor zorg gedragen dat het dier:
    • a. went aan de omgang met de mens en relevante diersoorten en aan houderijomstandigheden en
    • b. in voldoende mate in de gelegenheid is tot het leren en tonen van soorteigen gedrag.
Wat in de wet staat, is feitelijk dat wanneer gezelschapsdieren nog moet wennen aan soortgenoten en/of aan mensen, dat het hiervoor de tijd krijgt. Gezelschapsdieren mogen niet te jong verkocht worden omdat ze dan onvoldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om te leren van hun soortgenoten c.q. ouders.

Overige bepalingen



Artikel 6.6 - Vakbekwaamheid bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren

  • 1. Artikel 3.11, eerste lid, is gedurende een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing:
    • a. indien degene die verantwoordelijk is voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten desgevraagd kan aantonen dat de inrichting voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit;
    • b. ten aanzien van andere gezelschapsdieren dan honden en katten, indien degene die verantwoordelijk is voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten desgevraagd kan aantonen dat het een inrichting betreft waarvoor een aanmeldingsplicht bestond op basis van artikel 3, eerste lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, waar ook andere gezelschapsdieren werden gehouden dan honden en katten.
  • 2. Het erkende bewijs van vakbekwaamheid op basis van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.11, voor zover activiteiten worden verricht met honden en katten.
In artikel 6.6 is een overgangsregels opgenomen m.b.t. kleine knaagdieren en de vakbekwaamheid. Hiermee heeft de wet geregeld dat alle bestaande gevallen 5 jaar de tijd hebben om vakbekwaam te worden c.q. de benodigde certificaten te halen. Het gaat hier alleen om de vrijstelling van het niet gecertificeerd zijn. Alle bedrijfsmatige activiteiten moeten wel bij RVO gemeld zijn c.q. worden. Vanaf 1 juli 2020 wordt getoetst of de aangemelde organisaties c.q. mensen die bedrijfsmatig bezig zijn met gezelschapsdieren vakbekwaam zijn.

Nieuwe gevallen moeten direct aan de regelgeving voldoen. De vrijstelling is namelijk alleen geldig voor de activiteiten die op moment van invoering van de nieuwe wet bekend waren.